Gebruikers waardering: / 0
LaagsteHoogste 

De Overpeinzing

Pleegzuster Bloedwijn

Sommige vrouwen beschikken over een bijkans onvoorstelbare aantrekkingskracht.
In de vorige "Alsjeblieft" verscheen reeds een lofdicht op haar persoon met de prachtige regels:

"Als ik aan Rika denk, dan denk ik aan een weidse Groningse vlakte.
Een uitgestrekt, onaangetast stuk land.
Een vruchtbaar plekje zonder poespas.
Laat maar groeien, laat maar bloeien."

(met dank aan Evert Christiaans)

Nu brengt het zien van haar lieflijke verschijning mijn hoofd op hol. Ik wil mij verdrinken in haar veelheid van raadsels.
Wat doet zij met die po? Heeft zij deze gehaald van een doorliggende, langzaam dementerende bibliothecaris of gaat zij haar poesjes voederen
-haar bevallige oorschelpjes hebben wellicht in het feestgedruis het schuchtere gejammer van de kleintjes gemist, het instinct laat haar niet in de steek!-. Maar wat als het allemaal niet zo is? O ja, zij voert haar poesjes, maar wel aan de ondanks zijn lamlendige toestand nog steeds met een stevige trek gezegende boekenpriester. Het formaat laat veel toe. Zorgen is worgen.

Gezien de ingetogen glimlach op haar mond is zij in ieder geval tevreden met wat zij doet. Zij doet mij denken aan Pleegzuster Bloedwijn, de altoos zorgende met oog voor detail, geen kittig dwarrelend verpleegstertje met herteogen gericht op de zekere toekomst van geluk en airmiles, en met genoegen zou ik haar po willen ledigen om daarna weg te zinken in een vredige, diepe roes.
En zolang die duurt zal ze naast me blijven waken en ik zal dat voelen opdat mijn roes mij voeren zal naar nooit geziene verten, waarvan ik nimmer kan verhalen omdat, nou ja, een roes, u weet wel.
Haar gestifte lipjes daarentegen doen een laaiend vuur vermoeden, zij doen denken aan duivelachtige genietingen temidden van serene stiltes. In deze gedachten verkerend verstout ik mij een vergelijken met de treurende muze van het satertje Meijer: de ingetogen filosofe als lubriek vrouwtjesdier.
En dan, die schaal! Zojuist nog verward met een portable plee en nu al aan de beurt als onderkomen voor het afgehakte hoofd van een ongelukkige. Want daarheen voert haar gang, en dat ook is de verklaring voor haar toch enigszins starre glimlach (net nog aangezien voor ingetogen; hoe bedrieglijk een vrouw zich voor kan doen) en de eeuwigheid in haar ogen. Hier spelen grote zaken : zij waant zich Salomé...

K.J.