De Overpeinzing
Hij droop af. Het was mislukt en verder doorgaan had geen zin. Hoe het nu allemaal qua toekomst in elkaar stak ('qua toekomst'? Liever toekomstsgewijs; qua doet wat waterig aan - de Latijnse voetreiziger in de woestijn: "Aaaaah qua!" -) kon hem niet meer boeien, veeleer leek hem het verleden zijn ideale habitat. Misschien dat iets van wat was misgelopen na enige tijd helder zou worden. Niet dat het hem zou helpen - hij was immers verloren - maar zijn inzichten gratis en voor niets aan goede jonge mensen schenken, was een troostende gedachte waaruit hij kracht putte.
Hij was in Brussel, ooit door Brel 'bruisend' genoemd. Met een groep studiegenoten brassen en hoereren in een vreemde stad, dat was dus een werkweek. Eindelijk kon hij de wereld tonen wat waarlijk leven was. Soepel en koelbloedig zou hij hete vuren te lijf gaan. Als een dampende droes zou hij een blik ijsprinsessen doen ontdooien en laten kronkelen wanneer hij woest pompend hun bereidwillig gespreide dijen teisterde.
Dit zei hij niet tegen zijn vriendinnetje. Het was nu een tijdje aan, 't ging lekker en dat moet je niet verstoren. Informatie op maat leveren, dat was een van de principes die de opleiding hem tot nu toe had bijgebracht en de algemene geldigheid ontdekte hij zelf al snel. Ze was niet veeleisend maar dat kwam helaas niet voort uit grootmoedigheid. Klein was haar wereld en eenvoudig waren haar behoeften. De toekomst zag ze om zich heen. Hij bezag Brussel. De uitgelaten stemming waarin het gezelschap verkeerde maakte veel mogelijk.
"Europa", dreunde het in zijn hoofd, "ik ram 'm er in een keer in. Grenzen bestaan voor mij niet meer." Zwalkend door de stad, opgebouwd uit post-classistische en retro-modernistische wanstaltigheden, raakte het inmiddels door alcoholische verwoestingen uitgedunde groepje op een verwarrend plein. De lantaarnpaal met het scheefgezakte kopje, waarvan onduidelijk was of metaalmoeheid dan wel het hangende verlangen naar verlichting de oorzaak was, markeert op bovenstaande foto een gedenkwaardig punt. Ze was Brussel. Haar hele leven stond in het teken van de eenwording, zo vaak als mogelijk was en met wie zij maar kon. Het rafelige groepje viel haar op door die ene jongen die met schitterende ogen en schreeuwerige lichaamstaal zichzelf probeerde te ontstijgen. Hun blikken botsten. Dingen werden hard en vochtig. Er hing iets vreselijk in de lucht. De lucht werd zwaar en alles om hen heen viel weg. De man wilde de vrouw en de vrouw wilde dat ook. Hun versmelting was zo nabij dat het roepende stemmetje eerst slechts vaag tot hen doordrong: "Tou nou eem !" Het was Frences die met Noord-Nederlandse nuchterheid de Europese aspiraties probeerde de kop in te drukken. De internationalisering van het een en ander erkende ook zij, maar dat de regio's daar niet onder mochten leiden, daar was ze vast van overtuigd. Deze jongen moest behouden blijven voor Stad en Ommeland. Hij verliet Brussel.
Jaap
| < Vorige | Verder > |
|---|



